De zomervakantie is voorbij. Tijdens de zomerperiode gebeurt er minder in de wereld. Ook de fiscale wereld, met haar wetgeving en jurisprudentie, draait even op een lager pitje. Kortom, er gebeurt even wat minder. Maar nieuws zit vaak in iets dat niet gebeurt.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de reparatie van de huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke aandelen. Eerst een korte terugblik, waarna we bekijken wat er niet gebeurt.
1. Hoe zat het ook maar weer?
Een man en een vrouw hadden al dertig jaar een relatie. In 2017 was de man ernstig ziek. Zij wijzigden hun huwelijksvoorwaarden, waarbij de huwelijksgoederengemeenschap bleef bestaan, maar de vrouw voor 90% en de man voor 10% gerechtigd werd tot de gemeenschap.
Later dat jaar overleed de man. Daardoor kwam 40% meer van de huwelijksgoederengemeenschap toe aan de vrouw dan bij een gelijke verdeling, zonder dat hierover schenk- of erfbelasting was verschuldigd. Ik kan me voorstellen dat de inspecteur zich hier ongemakkelijk bij voelde en een beroep deed op de antimisbruikregel fraus legis. Eerst stelde hij de aanslag erfbelasting vast op basis van een 50/50-verdeling. Later wijzigde hij zijn standpunt en stelde hij dat de wijziging van de huwelijksvoorwaarden een schenking van 40% van het vermogen inhield.
De Hoge Raad wees dat standpunt af. Op het moment waarop de huwelijksvoorwaarden in het voorjaar van 2017 werden gewijzigd, stond volgens de Hoge Raad nog niet zo goed als zeker vast dat de man eerder zou overlijden.
Voor fiscalisten en notarissen was dat geen verrassende uitkomst, want de uitspraak sloot aan bij de civielrechtelijke werkelijkheid en de erfbelasting is nu eenmaal sterk civieljuridisch bepaald.
De verrassing zat vooral bij de fiscus, want met dit arrest werd bevestigd dat vermogensverschuivingen tussen echtgenoten mogelijk zijn zonder dat daar direct schenk- of erfbelasting tegenover staat.
2. Reparatie maar toch geen reparatie
Zoals vaker gebeurt wanneer de wetgever het niet eens is met de rechter, veranderde de wetgever de wet. Wat daarbij opvalt, is dat de wetgever alleen ingreep in de schenk- en erfbelasting, maar niet in de inkomstenbelasting.
De reparatiewet lost het probleem van de wetgever in de Successiewet dus deels op.
Maar de reparatiewet doet niets aan de inkomstenbelasting. De wetgever laat exact dezelfde 90/10-verhouding nog steeds volledig doorwerken in de inkomstenbelasting.
Voorbeeld: neem een echtpaar dat in gemeenschap van goederen is gehuwd en een vermogen van € 5 miljoen heeft, dat volledig bestaat uit beleggingen die via een beleggings-BV worden aangehouden. Als een van hen overlijdt, is in beginsel inkomstenbelasting verschuldigd over € 2,5 miljoen (50% van € 5 miljoen). Nu besluiten zij echter hun huwelijksvoorwaarden te wijzigen. Na de wijziging is de vrouw voor 90% gerechtigd tot de huwelijksgemeenschap en de man voor 10%.
Door de reparatiewetgeving wordt bij het overlijden van de man erfbelasting geheven over de gewone verkrijging van € 500.000 én over het aanvullende voordeel van € 2 miljoen. Dat aanvullende voordeel wordt voor de erfbelasting aangemerkt als een belastbare verkrijging, omdat de 90/10-verhouding bij overlijden niet langer volledig wordt gevolgd. Probleem opgelost, zou je kunnen zeggen.
Maar bij overlijden van een aandeelhouder is eerst inkomstenbelasting verschuldigd over de winst op de aandelen in de beleggings-BV. Daarvoor geldt de reparatiewetgeving uitdrukkelijk niet.
En precies daar ligt mijn verwondering. Soms is het belangrijker om te kijken naar wat niet gebeurt.
Voor de inkomstenbelasting ligt dat anders. Bij het overlijden van de man is nog steeds belasting verschuldigd over 10% van de aandelen, en dus niet over 50%. Een inkomstenbelastingclaim over € 500.000 in plaats van € 2,5 miljoen maakt veel uit.
Dat levert de erfgenamen bij het eerste overlijden nog steeds een aanzienlijk voordeel op. In het algemeen is dit voordeel tijdelijk, omdat bij het latere overlijden van de vrouw alsnog inkomstenbelasting wordt afgerekend. Bij het eerste overlijden scheelt dit echter een slok op een borrel. Dat kan vooral veel uitmaken als de BV minder liquide beleggingen, zoals vastgoed, aanhoudt.
3. Conclusie
Dit geheel roept een fundamentele vraag op. Waarom wordt dezelfde civielrechtelijke werkelijkheid voor de inkomstenbelasting wel gerespecteerd, terwijl zij voor de erfbelasting wordt gecorrigeerd? De conclusie is in ieder geval dat de wetgever de puzzel niet heeft opgelost en deze ook niet eenvoudiger heeft gemaakt. Wel blijft het belangrijk om bij het opstellen van huwelijksvoorwaarden en testamenten aandacht te besteden aan de gevolgen voor de inkomstenbelasting, zeker nu beleggers vaker besluiten hun beleggingen met het oog op box 3 onder te brengen in een BV.
Cervus Tax, Zwolle september 2026
Jan Willem Reilink
+31 (0)85 302 10 52
https://www.linkedin.com/in/reilink/
© Copyright 2026 – voorwaarden – privacy statement – gehost door B&S Media

