In september lazen we weer een erg bijzonder arrest van onze Hoge Raad. Het arrest ging over de mogelijkheid van het verrekenen van (latente) verliezen ná een aandeelhouderswissel. Voor velen leek er in eerste oogopslag ‘niets nieuws onder de zon’. Dat klopt wat betreft Cervus Tax niet… In deze blog zetten wij uiteen wat we daarmee bedoelen. Maar eerst de zaak zelf! Het betreft hier een arrest van 11 september 2026 waarin de Hoge Raad een arrest wees over de reikwijdte van artikel 20a Wet Vpb. De centrale vraag was of de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20a alleen geldt voor reeds gerealiseerde fiscale verliezen, of ook voor verliezen die economisch al aanwezig waren ten tijde van een aandeelhouderswisseling maar pas later fiscaal zichtbaar worden. De Hoge Raad kiest nadrukkelijk voor het laatste. Een link naar dit arrest vind je hier. Voor de transactiepraktijk is dat een (zéér!) relevant arrest. Niet alleen de formeel vastgestelde compensabele verliezen verdienen aandacht bij een aandelentransactie, maar ook latente verliesposities die nog niet in een verliesbeschikking zijn vastgelegd.

 

De casus in vogelvlucht

De zaak betrof een vastgoedvennootschap met een omvangrijke vastgoedportefeuille. De aandelen in de vennootschap werden in 2015 verkocht. Op dat moment lag de economische waarde van het vastgoed aanzienlijk lager dan de fiscale boekwaarde. Er was dus sprake van een substantiële (latente!) verliespositie. Deze was NIET bij beschikking vastgesteld. Enkele jaren later werd een deel van het vastgoed geherstructureerd, waarbij een boekverlies van circa € 4,3 miljoen werd gerealiseerd. De inspecteur weigerde aftrek van dit verlies onder verwijzing naar artikel 20a Wet Vpb.

De belastingplichtige stelde zich op het standpunt dat artikel 20a uitsluitend ziet op verliezen die reeds vóór de aandeelhouderswijziging waren gerealiseerd. Het verlies was immers pas jaren later fiscaal tot uitdrukking gekomen. Het verlies was ook nooit bij beschikking vastgesteld.

Het Hof Amsterdam dacht daar anders over en kreeg uiteindelijk steun van de Hoge Raad.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelt dat artikel 20a Wet Vpb een voortzetting en aanscherping vormt van eerdere verliesverrekeningsregels. Het doel van de regeling is te voorkomen dat nieuwe aandeelhouders verliezen kunnen benutten die economisch zijn ontstaan in een periode waarin zij nog geen belang hadden bij de vennootschap. Althans, dit is een summiere samenvatting van de oordelen die wel wat nuance kan gebruiken.

Daarom is niet doorslaggevend wanneer een verlies fiscaal wordt gerealiseerd. Bepalend is of dat verlies voortvloeit uit feiten en omstandigheden die zich reeds vóór de belangenwijziging hebben voorgedaan. Indien dat het geval is, kan artikel 20a aan verliesverrekening in de weg staan.

De Hoge Raad sluit daarmee expliciet aan bij zijn oudere arrest van 9 april 2004 over de voorganger van artikel 20a. Ook in dat arrest werd geoordeeld dat verliezen die pas later fiscaal zichtbaar worden, onder omstandigheden toch moeten worden toegerekend aan de periode vóór de aandeelhouderswisseling.

Juridisch begrijpelijk, praktisch uitdagend

De tekst en toelichting door de Hoge Raad in het arrest was kort. De uitkomst van het arrest is volgens Cervus Tax vanuit de ratio van artikel 20a goed te volgen. Althans, zo lijkt als je de wetsgeschiedenis en oude jurisprudentie analyseert. Tegelijkertijd creëert het arrest nieuwe onzekerheden voor de praktijk.

Wie een onderneming overneemt, weet doorgaans hoeveel compensabele verliezen er volgens de verliesbeschikkingen beschikbaar zijn. Veel lastiger is echter het vaststellen van de omvang van eventuele latente verliezen die mogelijk jaren later nog onder artikel 20a kunnen worden gebracht. Dat vergt waarderingen, reconstructies en discussies over historische feiten en omstandigheden.

Daarmee verschuift de aandacht van de formele verliesbeschikking naar de onderliggende economische realiteit. Inclusief onzekerheden die daarbij horen.

Openstaande vragen

Hoewel de Hoge Raad duidelijkheid geeft over het uitgangspunt, blijven belangrijke uitvoeringsvragen onbeantwoord. Daar mag de praktijk dan weer mee aan de slag… Onder meer de volgende onderwerpen zullen onderwerp van discussie worden:

  • Hoe moet een latent verlies precies worden vastgesteld op het moment van de belangenwijziging?
  • De casus ging over vastgoed: had binnen deze vastgoedportefeuille gesaldeerd mogen worden of moet per actief worden gekeken? In brede zin geldt dit vraagstuk voor alle belastingplichtigen natuurlijk (niet alleen vastgoed).
  • Hoe moeten waardeveranderingen ná de aandeelhouderswisseling worden toegerekend?
  • Welke betekenis hebben afschrijvingen en investeringen die na de transactie plaatsvinden?
  • Op wie rust de bewijslast om aannemelijk te maken welk deel van een gerealiseerd verlies reeds vóór de belangenwijziging aanwezig was?

Zeker ook het laatste punt verdient aandacht. In transacties die enkele jaren na closing tot een fiscale discussie leiden, zal bewijslevering niet altijd eenvoudig zijn.

Gevolgen voor M&A- , Private Equity en zeker ook vastgoedtransacties

Voor de overnamepraktijk heeft dit arrest mogelijk nog meer betekenis dan voor de reguliere aangiftepraktijk.

Bij fiscale due diligence onderzoeken ligt de focus traditioneel sterk op aanwezige compensabele verliezen, fiscale eenheden, herinvesteringsreserves en lopende discussies met de Belastingdienst. Na dit arrest verdient ook de analyse van latente verliesposities nadrukkelijk een plaats in het due diligence-proces.

Daarnaast zal het arrest invloed hebben op de inrichting van koopovereenkomsten (SPA’s). Daarbij kan worden gedacht aan:

  • Aanvullende fiscale garanties over latente verliesposities;
  • Specifieke vrijwaringen voor discussies over artikel 20a;
  • Aangepaste prijsmechanismen indien fiscale verliesverrekening onderdeel vormt van de waardering;
  • Afspraken over informatie-uitwisseling en procesvoering richting de Belastingdienst na closing. [Hoge Raad…20a vallen | PDF]

Vooral bij vastgoedvennootschappen, holdingstructuren en ondernemingen met aanzienlijke stille verliezen kan deze uitspraak daardoor direct van invloed zijn op de economische waarde van een transactie.

Conclusie & analyse door Cervus Tax

Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad dat artikel 20a Wet Vpb niet beperkt is tot reeds gerealiseerde fiscale verliezen. Ook verliezen die pas na een aandeelhouderswisseling tot uitdrukking komen, kunnen onder de verliesverrekeningsbeperking vallen wanneer zij hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden van vóór die wijziging.

De uitspraak past bij de anti-misbruikgedachte achter artikel 20a, maar roept tegelijkertijd nieuwe vragen op over waardering, bewijsvoering en transactiedocumentatie. Voor adviseurs, investeerders en ondernemingen betekent dit dat bij een aandelenoverdracht voortaan niet alleen naar zichtbare fiscale verliezen moet worden gekeken, maar ook naar verliezen die nog onder de oppervlakte aanwezig zijn.

Juist die latente verliezen kunnen achteraf immers bepalend blijken voor de fiscale uitkomst van de transactie.

Wij voorzien dat dit arrest vele vragen gaat oproepen in de uitvoeringspraktijk. Graag staan wij u hierover te woord! Neem hierover contact op met uw vaste Cervus Tax adviseur of een van de ondergetekenden.

 

Contact Cervus Tax

Jan Pieter van Eck

+31 (0)853021050

jpvaneck@cervustax.nl

LinkedIn/JanPietervanEck

Maarten Jan Brouwer

+31 (0)85 302 1051

mjbrouwer@cervustax.nl

Maarten Jan Brouwer | LinkedIn

 

Delen: